cropped-image001-1.png

Opstand der hoenders

Er was eens niets. Dat niets duurde erg lang, dus besloot niets te ontploffen van ongeduld. En ineens was er alles. Dat was fijn, want dat scheelde later een hoop werk. Alles leefde nog lang en gelukkig.

Gelukkig voor ons sprookje is lang wel lang, maar niet oneindig. Dus op zekere dag was alles niet tevreden. Of eigenlijk, een klein deel van alles was niet tevreden. Dit kleine deel vroeg zich af waar alles vandaan kwam. Een klein deel van dit kleine deel besloot dat alles onmogelijk uit niets kon zijn ontstaan en ging daar de rest mee lastig vallen. Het grootste gedeelte van de rest kon het eigenlijk niets schelen en was gewoon tevreden met alles en waardeerde alles zoals het was. Wat maakte het uit waar alles vandaan kwam? Op de een of andere manier “klopte” alles. Alles was voorzien van een zichzelf reinigend en vernieuwend mechanisme. En zolang maar met respect met alles werd omgegaan, was in alles voorzien.

Maar dat kleine, ontevreden deel liet het er niet bij zitten. Het deel had immers besloten dat alles niet uit niets kon zijn ontstaan. Verder besloten ze dat alles moest zijn voortgekomen uit een groter, alles omvattend alles en noemde het Het Alles. Ze stelden Het Alles voor als een van hen. Sommigen beweerden rechtstreeks met Het Alles in contact te staan. Daarmee zaaiden ze angst onder hun soortgenoten en dankzij de angst die gezaaid was, konden de sommigen veel van alles voor zichzelf oogsten.

Toch waren er nog velen die respectvol met alles omgingen en die leerden hoe ze alles in hun voordeel konden gebruiken, zonder zich alles toe te eigenen. Omdat niet op ieder moment alles beschikbaar was, gebruikten ze slechts wat alles hen op dat moment kon bieden. Vanzelfsprekend waren velen blij dat na verloop van tijd alles terugkwam. Daarom vierde men bijvoorbeeld de terugkeer van het licht, de terugkeer van de vruchtbaarheid, het moment waarop vruchten konden worden geplukt.

De sommigen hadden gedronken uit de bron der onverzadigbaarheid. Dus toen de sommigen geen verdere roofbouw konden plegen op hun gelovigen, besloten ze om voor meer gelovigen te gaan zorgen. Onder het mom van “er is maar één Het Alles en wij doen alles in opdracht van Het Alles”, besloot men te stelen dat men kon bij “ongelovigen”. Men stal alles: voedsel, bodemschatten, ruimte, levens, vrijheid, … alles, behalve tijd.

In plaats van zich te realiseren dat tijd eigenlijk alles was dat ze bezaten, bedachten de sommigen dat ze tijd tekort kwamen. De sommigen lieten al hun gruweldaden opschrijven, verklaarden die verzameling geschriften heilig en zonden anderen met die geschriften naar ongelovigen met het doel ook hen schrik aan te jagen en vooral schatting af te dragen aan de sommigen, opdat Het Alles in alles zou voorzien.

Nu was er onder de ongelovigen een deel van alles, dat er hoenders op nahield. Hoenders zorgden voor voedsel voor van alles, gezelschap, tijdindicaties, warmte en plezier. De ongelovigen hadden er altijd goed voor gezorgd dat de hoenders alles kregen, zodat zij op hun beurt werden voorzien van van alles.

Op een nacht kwamen de gezanten van de sommigen in contact met de hoenderhoeders. Ze zagen dat de hoenders de hoeders voorzagen in van alles. Het was veel makkelijker om hoenders in van alles te laten voorzien, dan eindeloos te strijden met de ongelovigen.

En zo kwam het dat hoenders bijeen werden gedreven, want hoe meer hoenders, hoe meer van alles. Maar ja, meer hoenders betekende meer eten voor de hoenders en al snel kon de grond niet in alles voorzien. Dus werd er van alles, dat eigenlijk voor de gelovigen was bedoeld, aangewend voor nog meer hoenders. Dat gaf niets, want de gelovigen aten de eieren en de hoenders. Maar al snel waren er te weinig hoenders om voldoende eieren te leggen. Bovendien trokken de hoenders zich niets aan van de eisen van de sommigen en gingen ze helemaal hun eigen gang.

De hoenders werden in concentratiekampen bijeengebracht en dusdanig gemanipuleerd dat ze eieren legden aan de lopende band. Dat de hoenders niet meer voorzagen in warmte, tijdsindicaties en meer van dat alles, was geen probleem. De gelovigen gingen grotere akkers bebouwen om de hoenders van graan te voorzien. Ze ontwikkelden een kalender en een klok, zodat iedereen precies wist hoe laat het was. Omdat de hoenders in de concentratiekampen geen veren meer mochten dragen, stopten de gelovigen het afval van de akkers, stro, in hun kussens. Omdat de hoenders niet meer mochten zoeken naar wormpjes in de grond, moesten de gelovigen zelf de grond ploegen en eggen, maar daarvoor hadden ze dan ook gereedschappen ontwikkeld.

Steeds meer hoenders werden bijeengebracht in de concentratiekampen. De meeste hoenders kenden het verschil tussen dag en nacht niet meer. Als er graan werd gestrooid gingen ze eten, of ze honger hadden of niet. Als er een paar hoenders werden weggehaald, konden de hoenders de angst ruiken, maar geen der hoenders kon het opbrengen om de ander te helpen. En zo leefden er miljarden hoenders dagelijks in angst.

De hoenders hadden de sommigen geen windeieren gelegd. De sommigen baden niet tot Het Alles, maar baadden in weelde. Ze wisten van gekkigheid niet wat ze met hun bezit aan moesten. Ze smeerden hun lijven in met eierstruif, opdat deze glommen van weelderigheid. Die paar veren die nog restten, lieten ze zich op de mouwen spelden. Er werden wedstrijden georganiseerd wie er het snelst 100 hoenders de kop kon afbijten, waarna de sommigen de hoenderkadavers tijdens een optocht tussen de gelovigen gooiden. Zulks een gebaar van goedheid zou het Alles zeker gunstig stemmen! Het belangrijkst waren de wedstrijden waarbij er rauwe eieren moesten worden gepeld, totdat de kampioen als eerste een heel rauw gepeld ei aan de sommigen kon overhandigen. De kampioen mocht dan een jaar lang een veer in zijn reet steken. Natuurlijk waren er wel probleempjes, maar die raakten de sommigen niet. Zo waren er recentelijke veel wormpjes gesignaleerd in de graanakkers. Dat probleempje moest maar door de wetenschappers worden opgelost. Leidde zo’n probleempje tot een groter probleem, dan werd dat uitgelegd als de wil van Het Alles en konden de gelovigen maar het beste veel offers aan de sommigen overhandigen en bidden voor een goede afloop.

Het was in die dagen dat er een hoen een concentratiekamp werd binnen gevoerd, die een beetje anders was. Om te beginnen had ze al haar veren nog. De anderen bekeken haar met argwaan. Zou zij onder een hoedje met de sommigen spelen? De andere hoenders lieten haar links liggen. Haar eierproductie was benedenmaats, dus de vreemde eend zou spoedig worden weggehaald en het probleem zou zichzelf oplossen, zo concludeerden de anderen. De volgende dag lieten de hoenders trots hun eierproductie zien door zich van hun nest te laten lichten door de oplichters van de sommigen. De nieuwe hoender kon inderdaad niet tippen aan de productie van haar zusters. Een oplichter greep, zoals verwacht, de nieuwe hoender bij de strot. Even leek het erop dat zij zich gewillig zou laten afvoeren. Maar toen de oplichter in een moment van onachtzaamheid zijn greep enigszins liet verslappen, ontworstelde zij zich aan de greep en met een grote vastberadenheid pikte zij hem de ogen uit. De andere oplichters snelden te hulp, maar konden zich met moeite een weg banen door de in paniek geraakte hoenders. De nieuwe hoender vloog, ja vloog nota bene, naar een plek waar de oplichters niet bij konden. Woedend en teleurgesteld verlieten de oplichters het concentratiekamp, hun zwaargewonde mede-oplichter tussen zich in meezeulend.

De oplichters deden hun verhaal aan de sommigen. Die lachten totdat ze buikkramp kregen. “Bind hem aan een paal op het marktplein, opdat iedereen kan zien wat Het Alles voor je in petto heeft als je je plichten verzaakt!” “Als Het Alles hem goedgezind is, zal hij spoedig herstellen, en zo niet… Tja, dat is dan de wil van Het Alles.” En zo werd de oplichter tentoongesteld, totdat hij van rotheid uit elkaar viel.

In het concentratiekamp waren de hoenders behoorlijk van de leg van de gebeurtenissen van die dag. De nieuwe hoender zat nog steeds op een dakspant. Ze was haar veren aan het ordenen. De andere hoenders bedachten dat het beter was, wanneer ze de nieuwe hoender zelf aan de oplichters zouden uitleveren. De represailles zouden anders ongekende vormen aannemen. De nieuwe hoender had echter alles gehoord en maakte zich op om haar zegje te doen.

Ze opende met een oergekakel. De andere hoenders verstijfden bij het geluid. Dat geluid herinnerde hen aan alles. Het werd doodstil in het concentratiekamp. De nieuwe hoender sprak, kalm en stellig. “Zo, dus jullie leveren mij liever uit?” “Hebben jullie je afgevraagd wat je daarmee bereikt?” “Een extra dag voor jezelf in ellende en angst?” “Jullie vragen je vast af: hoe komt zij aan al die veren?” “Welnu, het zijn mijn eigen veren waarmee ik pronk.” “Mijn eigen veren, die ik heb weten te behouden door mij nimmer neer te leggen bij de heerschappij van de sommigen.” “De sommigen zijn zo gericht op zichzelf, dat er talloze wegen zijn om ze te ontlopen.” “Pas sinds vandaag zit ik in een concentratiekamp; ik loop al jaren vrij rond.” “En ik ben niet van plan om hier te gaan zitten wachten totdat ik afgevoerd word, zoals jullie vandaag hebben kunnen zien.” “Zie maar wat jullie doen. Ik ga hier op stok en morgen zien we wel verder.”

De volgende morgen begon in een onheilspellende sfeer. Een aantal hoenders kon niet meer op de poten staan. Een was voorover gevallen in een bak met water en verdronken. De hoenders fluisterden nerveus en angstig over hetgeen hen overkomen was: “Het is de straf van Het Alles. De sommigen hebben gelijk!” “We moeten de nieuwe hoender uitleveren aan de oplichters.” De nieuwe hoender ontwaakte langzaam op eenzame hoogte. Ze nam het concentratiekamp en de andere hoenders eens goed op en zag dat er een aantal zieken was. Ze fladderde naar beneden en bekeek een van haar zieke zusters. “Hmmm”, zei ze, “Dit komt door mij.” “Onze zusters lijden aan kippenvel, een ernstige aandoening die zich gemakkelijk openbaart als je geen veren meer hebt.” “Ik heb het ongetwijfeld binnengebracht, maar mij deert het niet, aangezien ik mijn veren nog heb.” “Ik zal onze zusters behandelen en beschermen en jullie blijven allemaal uit de buurt, anders raken jullie ook nog besmet.” “Voor één zaak is het wel goed: kippenvel is ook heel gevaarlijk voor de sommigen en de oplichters, dus laat mij onze dode zuster eervol bij de ingang van het concentratiekamp leggen, opdat de oplichters ons de komende weken niet zullen bezoeken.”

En zo geschiede. De oplichters vonden de dode hoender en lieten zich weken niet zien. Intussen verzorgde de nieuwe hoender haar zieke zusters. Niet een van hen kwam te overlijden en na een paar dagen konden zie niet alleen weer voorzichtig lopen, er waren zelfs tekenen dat er nieuwe veren begonnen te groeien. De argwaan onder de andere hoenders nam snel af. Er kwam een jonge hoender bij de nieuwe hoender die vroeg of zij wellicht kon helpen. Langzaam maar zeker volgden de hoenders het voorbeeld van de nieuwe hoender. Op een aantal hoenders na, werden er ook geen eieren geproduceerd. Dat kwam de hoenders ten goede. Ook zij kregen langzaam hun veren terug.

Tot haar verbazing trof de nieuwe hoender op een morgen de jonge hoender naast zich “op stok” aan; ze had weer leren vliegen. Een paar dagen later waren de dakbalken overladen met hoenders die de nacht op de balken hadden doorgebracht. De nieuwe hoender schudde haar veren uit en liet haar oergekakel horen. Dit keer was er geen verstijving, maar werd het oergekakel door alle hoenders beantwoord! “Zusters!” “Wat een genot om jullie zo te mogen begroeten”, sprak de nieuwe hoender. “We hebben belangrijke zaken met elkaar te overleggen. Een dezer dagen zullen de oplichters zich weer in het kamp wagen om ons van onze nesten op te lichten en onze eieren te rapen. Jullie hebben met eigen ogen aanschouwd dat de oplichters niet opgewassen zijn tegen ons!” Een luid gekakel steeg op. Het plan werd gesmeed.

Een paar dagen later stapten de oplichters het concentratiekamp binnen. Tot hun verbazing waren er nauwelijks hoenders op de grond. Ineens stortten de hoenders zich vanaf de dakbalken op de oplichters. Niemand werd gespaard. De hoenders verlieten massaal het concentratiekamp en trokken vervolgens van concentratiekamp naar concentratiekamp om al hun zusters te bevrijden.

Voordat het was doorgedrongen tot de sommigen waren alle concentratiekampen bevrijd. De voorraad eieren slonk zienderogen. De sommigen bevalen de gelovigen om het graan te eten dat bedoeld was voor de hoenders. Tijdens deze aankondiging probeerde een van de wetenschappers de aandacht te trekken van de sommigen. Hij was lijkbleek. “Vertel op, man!”, schreeuwde een der sommigen, “Wat heb je ons te melden?” De wetenschapper vertelde dat de wormenplaag die al maanden woedde, de graanoogst volledig had doen mislukken. “En dat vertel je ons nu pas!”, bulderde een der sommigen. “Tja, wij dachten dat de wormenplaag de wil van Het Alles was”, stamelde de wetenschapper. “Dat maken wij wel uit!”, bulderden de sommigen in koor.

Een paar maanden later waren de sommigen, de gelovigen en ongelovigen overleden van de honger. De hoenders stortten zich op de talloze wormen en ploegden ongemerkt het land. Het land werd echter niet meer ingezaaid en de wormen hadden niets meer te eten.

Exact een jaar na de hoenderopstand legde de nieuwe hoender een ei. Daarna legde zij als laatste hoender het hoofd neer. Het ei werd nimmer meer uitgebroed. Alles was op niets uitgelopen. Niets leefde nog lang en gelukkig.

NDE